Financiële positie
Investeringen hebben invloed op zowel de exploitatie door de kapitaallasten (rente en afschrijvingen) als op de schuldpositie. Om de schuldpositie beheersbaar te houden zijn indicatoren ontwikkeld. Voor de integrale afweging van de investeringsruimte worden de indicatoren in dit SPI doorgerekend. Een dergelijke doorrekening kent onzekerheden. Hoe verder we in de tijd kijken, hoe groter de onzekerheden worden. Zo moet ook het SPI worden beschouwd als indicatief. In de Notitie Schuldpositie 2023 (7282099) zijn de spelregels en de indicatoren voor het beoordelen van de schuldpositie beschreven. Voor de drie indicatoren (lasten schuldpositie, netto schuldquote, solvabiliteit) in samenhang geldt:
1 rode indicator: verhoogde waakzaamheid, aandacht voor schuld;
2 rode indicatoren: sterk verhoogde waakzaamheid, speciale aandacht op verlaging schuld;
3 rode indicatoren: direct inzetten van het handelingsrepertoire noodzakelijk, met als doel versnelde afbouw van schuld.
De financiële haalbaarheid beoordelen we aan de hand van de drie genoemde indicatoren. De betekenis van deze indicatoren zijn beschreven in de begrippenlijst. In dit SPI zijn deze indicatoren doorgerekend tot 2042. In grafieken wordt zichtbaar gemaakt hoe de indicatoren zich ontwikkelen tot en met het jaar 2042.
Uitgangspunten
Om de indicatoren te kunnen doorrekenen hanteren we de volgende uitgangspunten:
alle investeringen uit het investeringsplan bij de Programmabegroting 2026-2029;
de bruto investeringen uit het lange termijn perspectief;
de geraamde netto-opbrengsten uit de grondexploitaties (standlijn 1 januari 2026).
Daarnaast hanteren we de volgende aannames:
een gemiddelde afschrijvingstermijn van 30 jaar voor de investeringen lange termijn perspectief;
de vaste schuld daalt omdat gerealiseerde investeringen afgeschreven worden;
de inkomsten uit de algemene uitkering gemeentefonds en de onroerendzaakbelastingen (ozb) stijgen door groei woningen en inwoners;
we houden (behalve bij het IHP) geen rekening met toekomstige indexatie van investeringen;
we rekenen met een rekenrente van 2% vanaf 2026 en 3% vanaf 2030.
Binnen de programmabegroting hanteren we een afslag op de kapitaallasten van 42,5% omdat we meer investeringen ramen dan we daadwerkelijk kunnen realiseren. We laten daarom in onderstaande grafieken het verloop van de drie indicatoren zien bij een realisatiegraad van 57,5%, (grafiek links) en bij een volledige investeringsraming van 100% (grafiek rechts).
Het verloop van de indicatoren ontwikkelt zich met de investeringen van het SPI als volgt:
Lasten schuldpositie
Rente- en afschrijvingslasten (kapitaallasten) zijn vaste verplichtingen en moeilijk te beïnvloeden, het gaat immers om aflossing van schulden en de rentelasten die daarbij horen. Rentelasten zijn bovendien onderhevig aan fluctuaties en kunnen hoger worden bij een stijgende rente. Hoe hoger het aandeel van kapitaallasten in de begroting, hoe minder mogelijkheid er is om middelen in te zetten voor andere prioriteiten. In onderstaande grafieken wordt het aandeel van de kapitaallasten weergegeven in een percentage van de begroting.

Figuur 11 Indicator lasten schuldpositie bij 57,5% realisatie (links) en bij 100% realisatie (rechts)
Bij zowel een realisatie van 57,5% als bij 100% relisatie stijgt de indicator lasten schuldpositie maar blijft oranje.
Netto schuldquote
De netto schuldquote geeft inzicht in het niveau van de gemeentelijke schuldenlasten ten opzichte van de eigen middelen en is hiermee een indicatie van de mate waarin de rentelasten en de aflossingen op de exploitatie drukken. Hoe hoger de schuld, hoe hoger de netto schuldquote.

Figuur 12 Indicator netto schuldquote bij 57,5% realisatie (links) en bij 100% realisatie (rechts)
De indicator netto schuldquote schiet in beide gevallen, zowel bij 57,5% investeringen als bij 100%, al in 2028 in het rood.
Solvabiliteit
De solvabiliteit geeft inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Een hoger percentage duidt op een hogere financiële weerbaarheid van de gemeente. Het is de meest omvattende globale indicator van de vermogenspositie.

Figuur 13 Indicator Solvabiliteit bij 57,5% realisatie (links) en bij 100% realisatie (rechts)
Een solvabiliteit tussen de 20% en 50% beschouwen wij als een oranje positie, dit is al enkele jaren de stand van zaken. Zakt de solvabiliteit onder de 20% dan spreken we van een rode indicator, in bovenstaande grafiek weergegeven door de rode lijn. In het geval we alle bekende investeringen meetellen dan zien we de indicator solvabiliteit in 2033 naar rood verkleurt. Als we de realisatiegraad verlagen naar 57,5% dan wordt de indicator rond 2034 kritisch maar zakt daarna niet substantieel verder.
Conclusie/samenvatting
Mochten we alle bekende investeringen volgens de huidige inschattingen realiseren dan staan alle drie de indicatoren eind 2041 in het rood. Volgens het beleid uit de notitie schuldpositie (2023) is direct inzetten van het handelingsrepertoire noodzakelijk, met als doel versnelde afbouw van schuld. Als we de bekende investeringen berekenen met 57,5% vanwege de lagere realisatiegraden die we in het verleden hebben gerealiseerd dan zien we enkel één rode indicator vanaf 2028. Bij dit scenario hoort niet direct een handelingsperspectief tot afbouwen schuld, maar verhoogde waakzaamheid met aandacht voor de schuld.
We moeten hierbij beseffen dat de gebruikte cijfers indicatief zijn en soms ver in de tijd vooruit liggen. Investeringen kunnen in de tussentijd fors duurder worden of juist naar beneden worden bijgesteld. Ook kunnen in de tijd andere doelen belangrijk worden. Ondanks dit soort onzekerheden kunnen we wel met zekerheid stellen dat (bij)sturing op de investeringen op dit moment al noodzakelijk is. Het bijstellen van het IHP in een vorige SPI is een eerste stap hierin geweest . De tweede stap is met de vaststelling van de investeringsanalyse en -strategie Schaalsprong Wonen gezet. We rekenen nu alleen met investeringen volgend uit de woningbouwlocaties die als focusgebieden zijn aangemerkt en de potentiegebieden Nieuw-Vennep West en Cruquius Werfkwartier. Dit heeft een verbeterd beeld opgeleverd, zoals in bovenstaande tabellen zichtbaar is, maar aanvullende stappen blijven benodigd.
Uit het SPI blijkt dat de huidige ontwikkelingen en de bijbehorende planning een te groot beslag leggen op zowel de beschikbare financiële middelen als de ambtelijke capaciteit. Onze uitvoeringskracht staat al onder hoge druk en deze druk zal naar verwachting de komende jaren alleen maar verder toenemen. De omvang en samenloop van maatschappelijke opgaven, ruimtelijke ontwikkelingen en vervangingsinvesteringen vragen daarom om duidelijke bestuurlijke keuzes en een zorgvuldige afweging tussen ambities, middelen en uitvoeringscapaciteit Dit doen we langs drie bestuurlijke lijnen: wat doen we, wie doet het en hoe organiseren we het slimmer.
Ter ondersteuning hiervan zet de gemeente in op de verdere ontwikkeling van portfoliomanagement langs twee sporen. In het eerste spoor wordt een kwantitatieve analyse uitgevoerd van de capaciteitsbehoefte binnen de ruimtelijke projectenportefeuille. Daarmee ontstaat meer inzicht in de verhouding tussen bestuurlijke ambities, programmering en beschikbare uitvoeringscapaciteit. In het tweede spoor worden uitvoeringsprogramma’s opgesteld voor de verschillende onderwerpen en thema’s, voorzien van een realistische en uitvoerbare fasering. Daarbij wordt rekening gehouden met financiële haalbaarheid, reeds aangegane verplichtingen, contractuele afspraken, beschikbare capaciteit en relevante bestuurlijke afwegingen.
Met deze aanpak wordt de sturing op de gemeentelijke projectportefeuille verder versterkt en ontstaat een integraler inzicht in de uitvoerbaarheid, prioritering en fasering van gemeentelijke investeringen en opgaven. Dit biedt aanvullende sturingsinformatie voor de drie benoemde bestuurlijke lijnen en ondersteunt het maken van onderbouwde bestuurlijke keuzes.
Naast het signaleringsinstrument SPI monitoren we de indicatoren ook binnen diverse producten van de P&C cyclus en ook bij ieder groot investeringsbesluit dat genomen wordt.
Bij elke nieuwe bruto investering die we laten vaststellen vanaf € 25 miljoen wordt inzichtelijk gemaakt wat de impact is op de schuldpositie en de drie indicatoren. Deze informatie nemen we op in het raadsvoorstel voor de kredietaanvraag. De raad kan dan de afweging maken tussen nut en noodzaak enerzijds en schuldpositie anderzijds. De grenswaarde is op € 25 miljoen gesteld omdat alleen bij dergelijk grote bedragen effect op de indicatoren kan worden verwacht.
